Puzzelverhalen

Uitleg - Prijzen

Week 1

Verhaal1 - 2 - 3 - 4 - 5

Week 2

Verhaal1 - 2

 

‘Ja, ik hoorde het beter, omdat mijn deur openstond. Ik heb altijd een deur open.
Nee, daar wil ik verder niet over hebben. Dat is heel privé. Er is tegenwoordig AVG. En ik wil niet herkenbaar in de krant’

Je vader pakt de mobiel over. Achter je vader zie je de schreeuwende vrouw staan.
‘Ik breng je even naar de volgende gast. Hopelijk kun je uitvinden wie het heeft gedaan,’ zegt je vader met zachte stem.
Net als hij naast de vrouw staat, zegt ze: ‘Nou, ik ga even…ehm…koffie drinken. Ik ben zo terug. Dan weten we wel meer, toch?’
De deur knalt dicht.
‘Pap, wacht even, kun je mij vertellen hoe jullie verdieping eruit ziet?’
Snel maak je een schets volgens de aanwijzingen van je vader. Zijn mobiel zwaait heen en weer wat niet heel helpend is om een beeld te krijgen. Je wilt de kamernummers nog vragen, maar je wordt al doorgegeven aan de oudere dame.

‘Hermine is de naam. Fijn dat ik je even kan spreken. Werk je voor dit hotel? Och nee, nee. Je bent een journaliste. Je schrijft vast wel over het Coronavirus. Dat brengt echt het slechtste in de mens naar boven en dan bedoel ik niet wat het lichamelijk met je doet.
Weet je, ik ben hier zo vaak. Ik woon hier praktisch. Ik kom hier al zeker vijftig jaar. Elke keer hoop ik weer dat ik hem tegen zal komen. Dan drentel ik wat langs de grachten, drink een koffie op een terras en houd iedereen goed in de gaten. Ook al heb ik hem vijftig jaar niet gezien, ik zal hem herkennen. Uit duizenden. We waren zo verliefd. Zijn ogen zie ik nog elke nacht in mijn dromen. Ze staren me dan aan, net voordat ik hem kus. Och, wat een knapperd was het. Twee fantastische dagen en nachten hebben we gehad. Toen moest hij weg. En ik ook. Er werd op me gewacht. Een man aan wie ik mijn hart al had beloofd. Maar mijn hart heeft hij nooit gekregen. Mijn hart is meegenomen door mijn grote liefde en is nog ergens hier in Amsterdam.
In dit hotel ontmoette ik hem. Hij werkte hier soms in de bediening als het druk was. Toen was het hier vaak druk. Niet zoals nu. Toen waren altijd alle kamers vol. Ik weet dat het anders is geworden. Het hotel is veranderd in een verfoeilijk gedrocht. Die lift hier tegenover klinkt als een oververhitte radiator die elk moment kan ontploffen. Vanavond ging hij zelfs twee keer op en neer. Wat een lawaai van jewelste. Ik heb geluk dat ik erin pas met mijn rollater. Het geeft wel een hoop gedoe. Zo’n rollater inklappen duurt wel een paar minuten.
Ook kan ik hier elk moment mijn nek breken over die stukken tapijt als ik mijn rollator niet vast heb, dat risico weet ik. Maar ach, thuis kan ik ook mijn nek breken en dan doe ik het nog liever hier. Hier heb ik het risico mijn grote liefde weer eens tegen te komen. Het voelt als thuis, weet je, het voelt als thuis.
Ik zit altijd in deze kamer, wist je dat al. Mijn favoriete kamer die me toen geluk bracht. Ook al zou je dat niet zeggen. Je snapt me wel.
Je bent een lieverd, weet je dat. Je luistert nu al de hele tijd naar mijn sneue verhaal over een verloren liefde. Je hebt vast iets beters te doen. Ik hoop stiekem wel dat je uitvindt wie die rol heeft gepakt. Al was het maar omdat ik wel van een goede detective houd.’

Eenmaal terug bij je vader kun je eindelijk terug naar je schets van de verdieping.
‘Pap, wat is jouw kamernummer eigenlijk?’
‘16, nummer 16. Ik zit aan de even kant’
‘En die meneer die zo allergisch is?’
‘Hmm, wacht even, ik loop er even heen.’
Het beeld schommelt heen en weer. Uit de kamer schuin tegenover je vader komt de vrouw die aanvankelijk zo schreeuwde. Met haar mouw veegt ze haar mond af.
‘Ik zie alleen een 1,’zegt je vader. ‘Aan de overkant zie ik er twee.’ Hij giechelt bij de opmerking.
Ik wil hem vragen wat hij bedoelt, maar dan schiet het beeld heen en weer en zie ik de vrouw recht in beeld.
‘Zo, dus jij vraagt kamernummers. En waarom? Wat maakt het uit wie waar zit, het maakt alleen uit wie de rol heeft gepakt. Ik zit naast een kamer die ongeluk brengt. Wat wil je nog meer? Of eigenlijk, wat wil ik nog minder?’
En weg is ze.
‘Och, meisje, wees blij dat je hier niet bent. Die lucht om haar heen. Die alcoholwalm is té erg. Als je het mij dertig jaar geleden zou vragen, zou ik hebben gezegd dat ze permanent tussen wakker en slapen in leeft.